Je hoort het in de klas, op het sportveld en op feestjes: praten over blowen, vapen of een pilletje. Maar hoe vaak gebeurt het nu echt en wat is de trend? In dit artikel krijg je een helder overzicht van de cijfers en de context rond drugs gebruik onder jongeren. Ik neem je mee in wat we weten uit recente onderzoeken, waarom normalisering toeneemt, welke risico’s vaak worden onderschat en hoe je als ouder, docent of coach goed in gesprek kunt gaan. Verwacht nuchtere duiding, praktische tips en nuance, gebaseerd op ervaring in preventie en voorlichting op scholen.
Cijfers en trends: wat zien we in 2023?
Recente monitors onder scholieren van 12 tot en met 16 jaar laten een genuanceerd beeld zien. Ongeveer vier op de tien jongeren heeft ooit alcohol gedronken. Roken blijft op langere termijn lager dan begin jaren 2000, maar de daling is de laatste jaren minder uitgesproken. Rond 16 procent heeft weleens gerookt. Cannabiservaring ligt rond de 8 tot 9 procent; in de laatste maand gebruikt een kleinere groep.
Andere middelen komen minder vaak voor. Lachgasgebruik is de afgelopen jaren duidelijk teruggelopen en zit rond de 3 procent ooit-ervaring. Voor XTC ligt dat rond 1 tot 2 procent. Belangrijk om te weten: in 2023 zijn enkele meet- en vraagwijzigingen doorgevoerd, waardoor trendvergelijkingen voorzichtig geïnterpreteerd moeten worden.
Vapen is het opvallendste nieuwe patroon. Bijna een kwart van de 12- tot en met 16-jarigen heeft ooit een e-sigaret geprobeerd, ongeveer één op de zeven deed dat in de afgelopen maand en een kleinere groep (circa 4 procent) gebruikt dagelijks. Vapen en roken overlappen deels: een deel van de dagelijkse vapers rookt ook sigaretten, wat wijst op dubbele blootstelling aan nicotine.
Verschillen naar leeftijd, geslacht en schoolniveau
Met de leeftijd nemen vrijwel alle vormen van middelengebruik toe: wat zeldzaam is op 12-jarige leeftijd is merkbaar frequenter op 16-jarige leeftijd. Meisjes geven in sommige metingen iets vaker aan te hebben gerookt dan jongens. Scholieren op het vwo rapporteren doorgaans minder ervaring met roken en cannabis dan scholieren op het vmbo. Ook zien we dat jongeren met een Nederlandse herkomst vaker ervaring hebben met roken en alcohol dan leeftijdsgenoten met een niet-Nederlandse herkomst.
Acceptatie en normalisering: de bredere context
Naast wat jongeren doen, speelt wat ze acceptabel vinden. In een groot panelonderzoek onder 18- tot 34-jarigen gaf een aanzienlijk deel aan dat harddrugs in hun vriendengroep af en toe geaccepteerd worden. Softdrugs worden in brede kring nog vaker acceptabel gevonden. In mijn gesprekken met klassen en oudergroepen merk ik dat jongeren vaak onderscheid maken tussen ‘soft’ en ‘hard’, en risico’s bij harddrugs onderschatten als het gaat om incidenteel gebruik op festivals of feestjes.
Die normalisering ontstaat door meerdere factoren: social media, peer influence, de lage prijs per ‘avond’ vergeleken met alcohol en het beeld dat ‘iedereen het doet’. Dat laatste klopt overigens niet; de meerderheid gebruikt niet of alleen zeer beperkt. Feitelijke cijfers blijven daarom cruciaal als tegengewicht voor groepsverhalen.
Studenten versus scholieren
Hoger onderwijs laat een ander patroon zien dan het voortgezet onderwijs: bij studenten heeft bijna de helft weleens cannabis gebruikt en gebruikt een substantiële minderheid dit jaarlijks. Middelen als XTC, psychedelica en cocaïne komen bij studenten ook vaker voor dan bij scholieren. Dat onderstreept hoe leeftijd en sociale omgeving gebruik beïnvloeden.
Waarom jongeren gebruiken: motieven en misverstanden
Nieuwsgierigheid, erbij horen, prestatiedruk, verveling en de verwachting van ‘een betere avond’ zijn veelgehoorde motieven. Na corona horen we vaker dat jongeren middelen zien als uitlaatklep of hulpmiddel om spanning los te laten. Een hardnekkig misverstand is dat incidenteel gebruik per definitie ‘veilig’ zou zijn. De risico’s hangen echter af van dosis, samenstelling, combinatie met alcohol of medicijnen, fysieke gesteldheid en context; dat maakt het onvoorspelbaar, zeker bij ongeteste middelen.
Risico’s en onderschatte gevaren
Geen enkel middel is zonder risico, maar de aard verschilt. Nicotine (rook en vape) vergroot kans op verslaving en beïnvloedt het zich ontwikkelende brein. Alcohol is voor jongeren extra belastend voor hersenontwikkeling en schoolprestaties. Cannabis kan op jonge leeftijd geheugen en concentratie aantasten en bij kwetsbaren angst of psychose-achtige klachten uitlokken. Lachgas lijkt ‘licht’, maar kan in kort tijdsbestek tot valincidenten, verdoofde ledematen en bij veelvuldig gebruik tot neurologische schade leiden. Bij XTC/MDMA spelen oververhitting, hyponatriëmie en onvoorspelbare sterkte een rol.
Omdat samenstelling en dosering variëren, is kennis over risico’s en het herkennen van alarmsignalen belangrijk. Wie zich verdiept in betrouwbare voorzorgsinformatie over MDMA kan beter begrijpen waarom combinatie met alcohol of te weinig water juist risicovol is. Lees bijvoorbeeld een nuchtere gids over voorzorg en risico’s rond MDMA via deze uitgebreide uitleg. Meer context over lachgas en mogelijke effecten vind je hier: achtergrond bij lachgas.
Signaleren en praten: wat kun je als ouder of docent doen?
In de praktijk zie ik dat vroeg en open praten beter werkt dan wachten tot er ‘een probleem’ is. Focus op luisteren, niet op veroordelen. Vraag door op wat er leuk lijkt aan een middel en wat spannend of onduidelijk is. Leg rustig uit wat bekend is over risico’s voor het jongerenbrein en benoem dat ‘één keer’ niet automatisch veilig is.
Let op veranderingen in slaap, humeur, schoolprestaties, geldgedrag of vriendengroepen. Eén signaal zegt weinig, maar een patroon kan aanleiding zijn voor een gesprek. Maak duidelijke, consequente afspraken over uitgaan, thuiskomst en middelen. En betrek de school: veel scholen hebben beleid en lessen over middelen, maar de uitvoering is wisselend. Vraag ernaar en sluit aan op wat in de klas gebeurt.
Wat werkt in preventie: lessen uit onderzoek en praktijk
Preventie is het effectiefst als het meerdere niveaus raakt: kennis, vaardigheden, omgeving en regels. Programma’s die niet alleen ‘zenden’, maar jongeren laten oefenen met weerbaarheid en keuzes, hebben meer effect. Ook ouderschap van thuis meekrijgen is bepalend: warme betrokkenheid in combinatie met duidelijke grenzen werkt beschermend.
Daarnaast helpt een consistente school- en sportcultuur, zicht op feest- en festivalcontext, en toegang tot betrouwbare informatie. Voor jongeren die toch met middelen in aanraking komen, kan schadebeperking het verschil maken, zoals niet combineren, dosissen niet stapelen en nooit gebruiken als je je fysiek of mentaal niet goed voelt. Feiten blijven leidend; mythes ontkrachten voorkomt bravoure-beslissingen.
Tot slot: cijfers in perspectief
Het beeld van ‘iedereen gebruikt’ houdt niet stand. De meeste scholieren gebruiken niet of weinig, en op meerdere fronten zijn dalingen zichtbaar (zoals alcohol bij jongere leeftijden en lachgas op langere termijn). Tegelijk groeit in sommige kringen de acceptatie, vooral bij jongvolwassenen, en neemt vapen snel toe. Die combinatie vraagt om nuchtere voorlichting, stevige basisvaardigheden bij jongeren en een omgeving die helpt om gezonde keuzes te maken. Zo verschuiven we van paniek of polarisatie naar begrip, grenzen en betrouwbare informatie.
Conclusie
Drugs gebruik onder jongeren is geen massale golf, maar een mix van dalende, stabiele en opkomende trends. Alcohol en roken liggen lager dan twintig jaar geleden, cannabis blijft relatief stabiel rond de 10 procent ooit-ervaring en lachgas nam af. Vapen is de opvallende stijger. Acceptatie in jonge vriendengroepen groeit, zeker buiten het voortgezet onderwijs. De opdracht is helder: combineer feiten, gesprek en duidelijke grenzen. Heb je zorgen, schakel school, jeugdgezondheidszorg of een verslavingszorginstelling in voor advies en ondersteuning.
Hoe vaak komt drugs gebruik onder jongeren daadwerkelijk voor?
Onder scholieren van 12 t/m 16 jaar heeft circa 40% ooit alcohol gedronken, ongeveer 16% ooit gerookt en rond 8–9% ooit cannabis gebruikt; het gebruik in de laatste maand ligt duidelijk lager. Andere middelen zoals lachgas (ongeveer 3% ooit) en XTC (rond 1–2% ooit) komen minder voor. Vapen is in opkomst, vooral bij oudere scholieren.
Is vapen populairder dan roken bij jongeren?
In recente metingen heeft bijna een kwart van de scholieren ooit een e-sigaret geprobeerd, meer dan het aandeel dat ooit sigaretten rookte. Maandelijks vapen is ook vaker gerapporteerd dan maandelijks roken. Tegelijk overlapt het: een deel van de dagelijkse vapers rookt óók sigaretten. Nicotine-afhankelijkheid en dubbele blootstelling zijn daardoor reële zorgen.
Hoe kijken jongeren aan tegen harddrugs?
Bij scholieren is daadwerkelijk gebruik van harddrugs laag, maar onder jongvolwassenen (18–34 jaar) vindt een aanzienlijke groep incidenteel harddrugsgebruik acceptabel. Softdrugs worden nog breder geaccepteerd. Die houding vergroot de sociale druk voor jongeren, terwijl de risico’s van dosis, combinatie en onbekende samenstelling vaak worden onderschat.
Welke signalen kunnen wijzen op drugs gebruik onder jongeren?
Let op een reeks veranderingen: slechtere slaap, wisselend humeur of concentratie, dalende cijfers, plots geldtekort, andere vriendengroep of geheimzinnigheid over uitgaan. Eén signaal zegt niet alles, maar een patroon vraagt om een rustig, open gesprek. Vraag door zonder oordeel en leg feitelijk uit wat de bekende risico’s zijn.
Wat kunnen ouders en scholen doen om gebruik te voorkomen?
Begin vroeg met open gesprekken, combineer warme betrokkenheid met duidelijke grenzen en regels, en stem af met school over beleid en lessen. Bied feitelijke informatie en weerbaarheidsvaardigheden, ontkracht mythes en normaliseer ‘nee’ zeggen. Voor wie tóch in aanraking komt: benadruk geen combinaties, geen stapelen en nooit gebruiken bij klachten of twijfel.


